Uitgelichte zaken

Belanghebbende en mandelig eigendom

Geschreven door Mark van den Hoff | Aug 29, 2023 10:44:45 AM

Een inwoner van Amersfoort vraagt het college van burgemeester en wethouders om handhavend op te treden tegen het foutparkeren van auto’s in het gazon in zijn buurt, de Stadstuin in Amersfoort.

 

Mandelig eigendom

In de Stadstuin zijn de gemeenschappelijke voorzieningen, zoals het gazon en de binnenterreinen, geen eigendom van de gemeente, maar mandelig eigendom van de 763 bewoners. Dat wil dus zeggen dat de bewoners gezamenlijk eigenaar zijn. Het college weigert handhavend op te treden omdat de inwoner geen belanghebbende is.

 

Bezwaar inwoner

Die inwoner laat het er niet bij zitten en stelt bezwaar in dat door het college niet-ontvankelijk wordt verklaard. Het college heeft zich namelijk op het standpunt gesteld dat de afstand van ruim 130 meter tussen de woning van de inwoner en de betreffende locaties waar op het gazon wordt geparkeerd te groot is en het aandeel van de inwoner in het mandelig eigendom onvoldoende is om hem als belanghebbende aan te merken.

 

Inwoner in beroep bij de Rechtbank

De inwoner is het hier niet mee eens en gaat in beroep bij de rechtbank. In de procedure bij de rechtbank wordt doorslaggevend geacht dat sprake is van mandelig eigendom en is volgens de rechtbank ook van belang dat de inwoner deels moet opdraaien voor de schade die kan ontstaan door het foutparkeren en het plaatsen van bloembakken, kennelijk om het parkeren op het gazon onmogelijk te maken.

Het beroep van de inwoner wordt dus gegrond verklaard. Dat betekent dat het college alsnog handhavend moet optreden. Het college is dit echter niet van plan en stelt hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

 

College gaat in hoger beroep

In hoger beroep voert het college aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het enkele feit dat de inwoner voor 1/763e deel mandelig eigenaar is voldoende is om hem als belanghebbende aan te merken. Ook is volgens het college niet aannemelijk dat sprake is van gevolgen van enige betekenis, de enkele, niet onderbouwde, stelling dat sprake kan zijn van verzakking van de mandelige grond is hiervoor ontoereikend.

Ten slotte voert het college aan dat uit kadastrale informatie blijkt dat de strook grond voor de woning van de inwoner niet mandelig eigendom is van de bewoners van de Stadstuin. Deze strook grond behoort deels bij een ander perceel en is deels volledig in eigendom bij de gemeente, evenals de naastgelegen stoep, weg en berm.

 

Oordeel van de Afdeling

De Afdeling merkt allereerst in de lijn van eerdere jurisprudentie op dat alleen degene die een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit (het zogenaamde opera-criterium) belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2 Algemene wet bestuursrecht. Als er een te ver verwijderd verband is tussen een belang en het bestreden besluit, is dat belang niet rechtstreeks betrokken bij dat besluit.

Vervolgens overweegt de Afdeling dat de inwoner voor 1/763e deel mandelig eigenaar is van gemeenschappelijke voorzieningen en dat hem dat in beginsel een belanghebbende maakt. Echter, in dit geval is de Afdeling van oordeel dat de eventuele gevolgen die de inwoner ondervindt zodanig beperkt zijn dat dit geen belanghebbendheid oplevert. Zijn aandeel van 1/763e deel is te beperkt om aan te kunnen nemen dat hij daadwerkelijke gevolgen ondervindt. Verder woont hij op honderden meters afstand van de locaties waar de door hem gestelde overtredingen hebben plaatsgevonden. Ook heeft hij vanuit zijn woning geen zicht op die locaties en heeft niet met stukken aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijke gevolgen ondervindt. Het enkele feit dat hij wellicht moet bijdragen aan het repareren van het gazon maakt niet dat hij als belanghebbende moet worden aangemerkt. Hij heeft deze kosten ook niet aannemelijk gemaakt.

 

Conclusie

De Afdeling concludeert dat het hoger beroep gegrond is en vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het gevolg hiervan is dat het college niet handhavend hoeft op te treden.