Uitgelichte zaken

Bestemmingsplan ‘Bomenbuurt’ evident in strijd met Wro en Awb?

Geschreven door Mark van den Hoff | Feb 1, 2024 8:35:21 AM

Twee  inwoners van Den Haag maken bezwaar tegen een omgevingsvergunning die op 30 september 2021 is verleend voor het maken van een dakopbouw met een dakterras aan de achterzijde van twee woningen. De twee inwoners wonen achter de panden waarvoor de omgevingsvergunning is verleend.

De inwoners zijn het niet eens met de vergunning. Zij menen dat het realiseren van de dakopbouw onaanvaardbare gevolgen heeft voor de bezonning van hun woningen. 

 

Hoger beroep

 

Het door de inwoners ingestelde beroep bij de rechtbank wordt ongegrond verklaard. Eén inwoner gaat in hoger beroep bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van de State, hierna: 'de Afdeling'.

 

Tekenfout

 

Daar voert hij aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er een evidente tekenfout zit in de verbeelding bij het bestemmingsplan ‘Bomenbuurt’. De begrenzing van de aanduiding tot waar de dakopbouw mag worden gebouwd is namelijk niet juist in de verbeelding van het bestemmingsplan opgenomen. Deze begrenzing is volgens hem te ver naar achteren komen te liggen waardoor er onaanvaardbare gevolgen voor de bezonning voor zijn woning ontstaan.

Wat hier dus feitelijk gebeurt is dat tegelijk met het opkomen tegen de verleende omgevingsvergunning ook wordt opgekomen tegen een onderdeel van het inmiddels onherroepelijk vastgestelde bestemmingsplan. 

 

Toetsingsmaatstaf

 

Onder verwijzing naar een uitspraak van 14 december 2016 overweegt de Afdeling dat de mogelijkheid om in een procedure die is gericht tegen een besluit over een omgevingsvergunning, de gelding van de toepasselijke bestemmingsplanregeling aan de orde te stellen, niet zover gaat dat deze regeling aan dezelfde toetsingsmaatstaf wordt onderworpen als de toetsingsmaatstaf die wordt gehanteerd in het kader van de beoordeling van beroepen tegen een vastgesteld bestemmingsplan.

 

Evidentie-criterium

 

In geval in een procedure wordt aangevoerd dat de bestemmingsregeling in strijd is met een hogere regeling, dient de bestemmingsregeling slechts onverbindend te worden geacht of buiten toepassing te worden gelaten, indien de bestemmingsregeling evident in strijd is met de hogere regeling. Voor toepassing van het evidentie-criterium is onder meer vereist dat de hogere regelgeving zodanig concreet is dat deze zich voor toetsing daaraan bij wijze van exceptie leent en dat er zonder nader onderzoek strijd is met die hogere regeling.

 

Hogere regelingen

 

In dit concrete geval oordeelt de Afdeling dat hetgeen door de inwoner is aangevoerd niet zonder meer dwingt tot de conclusie dat de begrenzing van de aanduiding 'dakopbouw' zoals in de verbeelding van het bestemmingsplan is opgenomen, evident in strijd moet worden geacht met de goede ruimtelijke ordening als bedoeld in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) of met het zorgvuldigheidsbeginsel uit artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Wro en de Awb zijn dus de hier bedoelde hogere regelingen.

 

Conclusie

 

Omdat het bestemmingsplan hierdoor niet evident in strijd is met een hoge regeling is er geen aanleiding om het bestemmingsplan onverbindend te achten dan wel buiten toepassing te laten. 

 

De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en de inwoner krijgt geen gelijk.

Als de inwoner destijds bij de Afdeling beroep had ingesteld tegen het bestemmingsplan ‘Bomenbuurt’ dan had dat er naar alle waarschijnlijkheid wel toe geleid dat het bestemmingsplan op dit onderdeel zou zijn aangepast en nu een weigeringsgrond voor de verleende omgevingsvergunning had kunnen zijn.