Geen leges voor het vaststellen van een bestemmingsplan

Het tweede meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 2 juni 2026 (ECLI:NL:GHARL:2026:3647) een uitspraak gedaan over de vraag of gemeenten leges mogen heffen voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot vaststelling van een bestemmingsplan. De uitkomst is helder: dat mag niet!

Deze uitspraak raakt direct aan de praktijk van gebiedsontwikkeling en projectinitiatieven, waarin initiatiefnemers regelmatig geconfronteerd worden met aanzienlijke legeskosten.

 

De kern van het geschil

In de betreffende zaak had een initiatiefnemer een verzoek ingediend om een agrarische bestemming om te zetten naar recreatief gebruik. Hiervoor werd door de gemeente een legesaanslag van € 16.447,- opgelegd. Volgens de gemeente ging het om een dienst ten behoeve van een individueel belang, waarvoor op grond van de Gemeentewet kosten mogen worden doorberekend.

 

Juridisch kader en het oordeel van het hof

In hoger beroep lag dus de vraag voor of het vaststellen van een bestemmingsplan kan worden aangemerkt als een ‘dienst’ waarvoor leges mogen worden geheven op grond van artikel 229 lid 1 onder b van de Gemeentewet.

Het hof maakt korte metten met het standpunt van de gemeente. Volgens het hof is het vaststellen van een bestemming van gronden in een bestemmingsplan (artikel 3.1. Wet ruimtelijke ordening) een handeling die in de kern gericht is op het publieke belang: een goede ruimtelijke ordening. Voor het heffen van leges zou de betreffende dienst “rechtstreeks en in overheersende mate” gericht moeten zijn op een individueel belang. 

Bij een bestemmingsplan is daarvan volgens het hof geen sprake. Het vaststellen van een bestemmingsplan is primair een publieke taak: het gaat om het dienen van een goede ruimtelijke ordening. Daarmee ontbreekt het vereiste individualiseerbare belang.

Het hof overweegt expliciet dat zelfs als er een particulier belang meespeelt – wat in de praktijk vrijwel altijd het geval is – dit belang niet “rechtstreeks en in overheersende mate” bepalend is.

 

Conclusie

De conclusie is dan ook dat géén sprake is van een dienst in de zin van de Gemeentewet. Legesheffing is daarom niet toegestaan.

Het hof verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt de legesaanslag volledig. Tevens wordt de gemeente veroordeeld tot vergoeding van griffierechten en proceskosten, die oplopen tot ruim € 4.000,-.

 

Belang van de uitspraak

De uitspraak onderstreept dat gemeenten terughoudend moeten zijn met het heffen van leges bij planologische kernbesluiten. Voor initiatiefnemers biedt dit belangrijke aanknopingspunten om legesaanslagen aan te vechten.

 

Vragen?

Heeft u nog vragen of wilt u hier meer over weten, neem dan contact op met één van onze specialisten.

Amina Šabanović

Amina Šabanović

1 september 2026

Amina Šabanović

Arrow

HEEFT U VRAGEN OF BENT U OP ZOEK NAAR JURIDISCH ADVIES?

Laat hieronder uw gegevens achter en geef aan wat uw vraag is. U wordt dan zo spoedig mogelijk geholpen door een van onze specialisten.

trc-advocaten-website016

Speciaal voor ondernemers en de mens erachter

Samenwerken; niet vóór u maar mét u

Eerlijk advies van onze specialisten