Update: de compensatie transitievergoeding bij ontslag van langdurig zieke werknemers

In één van mijn vorige artikelen schreef ik over zogenaamde slapende dienstverbanden en de al dan niet voor werkgevers bestaande gehoudenheid om deze dienstverbanden op te zeggen en de betreffende werknemers een transitievergoeding te betalen.

Ook wees ik u op het feit dat werkgevers vanaf 1 april 2020 gecompenseerd kunnen worden voor de door hen te betalen transitievergoeding bij het beëindigen van een arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.

Zoals ik in mijn vorige artikel al opmerkte, legt de wet aan de werkgever geen verplichting op om de arbeidsovereenkomst met een (- langdurig - arbeidsongeschikte) werknemer op te zeggen. In de tot 28 maart 2019 bestaande rechtspraak werd dit bevestigd en werd tevens geoordeeld dat het in stand houden van slapende dienstverbanden geen slecht werkgeverschap en/of ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever oplevert, waardoor geen transitievergoeding verschuldigd is.

Op 28 maart 2019 wees de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag echter een vonnis, waarbij hij de werkgever heeft veroordeeld tot het - op straffe van een dwangsom - opzeggen van de arbeidsovereenkomst met één van haar werknemers, waarbij zij tevens verplicht werd een  transitievergoeding van € 150.000,- te betalen.


Wat speelde er in die zaak?

In de zaak die leidde tot voornoemd vonnis was er sprake van een ongeneeslijk zieke statutair directeur, ten aanzien van wie de loondoorbetalingsplicht bij ziekte was geëindigd en aan wie door UWV een IVA-uitkering was toegekend. De werkneemster was al ontslagen uit haar statutaire functie.

Tijdens de procedure werd duidelijk dat de werkgever enkel een financieel motief had om het dienstverband met de werkneemster niet te beëindigen. Zo gaf zij aan dat het nog niet volstrekt zeker is dat zij gecompenseerd zal worden voor de door haar te betalen transitievergoeding.


Wat oordeelde de voorzieningenrechter?

De voorzieningenrechter is - kort gezegd - van oordeel dat thans niet langer is vol te houden dat het in stand houden van een slapend dienstverband geen strijd oplevert met goed werkgeverschap. Achterliggende redenen zijn de invoering van de Wet compensatie transitievergoeding en de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever om slapende dienstverbanden tegen te gaan. 


Een kentering in de rechtspraak?

De vraag is nu of deze uitspraak een kentering in de rechtspraak zal inhouden. Mijns inziens is dat niet het geval, althans zou dat niet zo mogen zijn. 

4 Apr 2019

Marcel Faassen